DE VREDESDUIF

    Am                       C     D                    F          E
Er leefden eens heel lang geleden vier trotse vorsten, rijk naast rijk.
    Am                     C           D                  E       Am
Ze hadden elkaar lang bestreden, maar geen werd door dit vechten rijk.
    E                      F                G                Am
De honger knaagde in hun steden, om elke straathoek lag een lijk.
              G                F                E             F
Toen rees er heimwee naar de vrede; ze zochten naar een vergelijk,
            C             E
ze zochten naar een vergelijk.

Toen z om de ronde tafel zaten wist geen meer hoe het juist begon.
De n zat over grenzen te praten, de tweede wist iets van een bron.
De derde zeurde over dukaten, n riep: "t Kwam al door die baron!"
Maar waarom zij elkaar zo haatten, geen die t zich nog herinneren kon,
geen die t zich nog herinneren kon.

Genoeg gevochten en gewroken, hoog hieven zij hun roemer wijn. 
Toen hebben ze heel lang besproken wat het symbool van de vrede zou zijn:
een roos, een lelie fris ontloken, een zeemeeuw; maar het werd een duif.
Het volk, nog vel over de knoken, riep: "Vrede, vrede!" en hield een fuif,
riep: Vrede, vrede! en hield een fuif.

De vorsten, nog moe van het fuiven, zaten des morgens weer bijeen.
t Ging om de kleur van vredesduiven, als basiskleur voor iedereen.
En wou het blauwe van zijn vaderen, een tweede vond blauw hondsgemeen;
n wou ze rood als bloed in de aderen, en het eindigde in een handgemeen,
en het eindigde in een handgemeen.

Sinds deze dag in t ver verleden werd er gevochten slag na slag.
Maar niemand stierf nog zonder reden: t ging om de kleur en om een vlag.
De duif bleef het symbool van de vrede, maar elke dag bracht nieuw gezeur:
want wij, wij raakten tot op heden nog nooit akkoord over haar kleur,
             C    E           Am
nog nooit akkoord over haar kleur.